Ik ken Paul Harland niet. Ik heb ook nog nooit wat van hem gelezen. Dat is vast een doodzonde in genreschrijverskringen. Maar ik weet zeker: als hij er zaterdag bij was geweest, zou hij trots zijn. Want hoe kan het anders? Wat een professionele opzet. En wat was ik machtig trots dat ik hoor bij deze community van rare schrijvers.

De ultieme lakmoesproef

De Paul Harland Dag was voor mij dit jaar om twee redenen speciaal. Ten eerste omdat ik er als jurylid een prijs mocht uitreiken. Ten tweede omdat ik voor het eerst mijn vriend (geen schrijver, ook niet echt een fictielezer) meenam. Omdat hij blijkbaar graag uit de eerste hand het leven van een ‘schrijversvrouw’ wilde leren kennen. (Met dank aan presentator Singha mag ik die term sinds zaterdag op mijn lief plakken. Waarvoor dank.) Ik kan jullie verzekeren dat het de ultieme lakmoesproef is voor een relatie om mee te gaan naar zo’n dag.

Voor wie het interesseert: ja, we zijn nog bij elkaar. Hij vond het zelfs leuk.

Een klein gilletje

Hoe dan ook, ik mocht dus een prijs uitreiken, en eigenlijk de prijs waarop ik hoopte: de Feniksprijs, voor de hoogste stijger ten opzichte van vorig jaar. Dat zijn mensen die hard gewerkt hebben, is mijn veronderstelling, dus daar mag ik dan ook een beetje trots op zijn. Ik kreeg een mooie gouden envelop in mijn hand, voelde me net op de Oscars (hoewel ik niet eens over mijn jurk ben gestruikeld, wat gezien mijn jurk ook best een prestatie was geweest), las het netjes voor, vergat zelfs niet adem te halen en te articuleren…

… waarop er halverwege mijn verhaal bij het benoemen van het plot uit de zaal een hoog, enthousiast gilletje opging (dat heel snel weer werd onderdrukt). Van Nieske Lindelauf, de schrijver van het verhaal. Haar grijns toen ik haar de trofee overhandigde kon echt niet breed genoeg zijn. Nieske, dank je dat je het zo leuk maakte om een prijs uit te reiken.

(Ondanks dat ik daarna niet wist hoe gauw ik weer moest gaan zitten, want allemensen, wat veel volk in die zaal.)

Bigger & badder things to come

Maar ik begon dus met die professionalisering. De initiatiefnemers van de Stichting ter bevordering van het fantastische genre laten er geen gras over groeien. Niet alleen door de belangrijkste spelers uit ons genre erbij te betrekken (ik noem een Genevieve Waldman van Luitingh) maar ook door opleidingstrajecten te gaan aanbieden voor alle schrijvers die erin geïnteresseerd zijn om betere schrijvers te worden.

Bijna een jaar geleden had ik het met Martijn Liiiiiindebaauuuum (sorry, flashback naar het tribute filmpje) over het professionaliseren van het genre. En waar dat soort praat bij anderen nogal eens wil stranden, hier niet. De Stichting ontstond, en wilde dat het genre zichzelf serieus ging nemen, en gáát er dan ook voor. Niks geneuzel in de marge of tevreden zijn met wat je hebt.

Chapeau.

Al die ambities zorgden er zaterdag tijdens het Gala van het Fantastische Boek voor dat ik voor het eerst echt het potentieel voelde van een verenigde groep genreschrijvers. Wat we zouden kunnen zijn. Wat we nu al zijn en waar we heen gaan.

Zonder al te sentimenteel te worden kan ik wel zeggen dat ik ontzettend trots was dat dit was wat ik mijn vriend de genremaagd kon laten zien. Zulke inzet, zulke grote dromen, dat kan alleen maar uit de kokers komen van mensen die reiken naar sterren en nieuwe werelden.

Ik kan me niets toepasselijkers voorstellen.

 

Foto: Connie Flipse